Lichthinder wegen Aanbevelingen, normen en reglementen

Wat  | Technieken  | Voorbeelden  | Aanbevelingen, normen en reglementen  | Controle  | Beleid 

Hierbij een systematisch overzicht van de belangrijkste, actuele aanbevelingen, normen en reglementen. De meeste documenten kunnen bij de betrokken organisaties aangekocht worden.

 

NORMEN VAN DE KWALITEITSEISEN VOOR WEGVERLICHTING

Categorisering van wegen met de bijhorende eisen voor de openbare verlichting

Hierin: het vastleggen van de vereiste parameters voor openbare verlichting in functie van het wegtype en de omgeving. Het doel is om bij duisternis op het openbaar terrein voldoende te kunnen waarnemen vanuit het oogpunt van veiligheid.

(EN) 13201-1: (2004) Wegverlichting - Deel 1: Selectie van verlichtingsklassen (Technische nota)

Deze technische nota die bedoeld was om Deel 1 van de Europese norm EN 13201 te worden, is niet als norm weerhouden. Ze heeft dus Europees enkel het statuut van “Technische Nota” verkregen. In deze nota wordt op basis van een aantal verkeerstechnische criteria (o.a. verkeersdichtheden, verkeerssnelheden, aanwezigheid van zwakke weggebruikers, conflictzones, veiligheid van voetgangers, herkenbaarheid van personen enz.) een methode beschreven om te komen tot een categorisering van wegen in bepaalde klassen.

NBN XXXXX: (2009) Selectie van de verlichtingsklassen (Belgische norm in voorbereiding)

Aangezien de technische nota EN/CR 13201-1 niet Europees werd goedgekeurd en de praktische toepassing ervan niet zo eenvoudig is, werd er in het kader van het BIV beslist om op een eenvoudige manier een kategorisering van alle Belgische wegen in te voeren. Deze kategorisering verwijst naar een verlichtingsklasse met de eigenschappen zoals bepaald in EN 13201-2.
In deze Belgische norm wordt eveneens bepaald met welke waarde van de onderhoudsfactoren en met welk type wegbekleding moet rekening gehouden worden voor de berekening van de installatie.

NBN EN 13201-2:(2004) Wegverlichting – Deel 2: Prestatie-eisen (Norm)

Deze Belgische en Europese norm geeft voor de verschillende wegcategorieën, zoals ze bepaald werden in deel 1 (technische nota), de waarden aan voor de verschillende parameters die de kwaliteit van de openbare verlichting bepalen. Voor de definitie van de wegcategorieën moet niet de technische nota (EN) 13201-1 maar de hiervoor vermelde Belgische norm toegepast worden.

Vereenvoudigde samenvatting van EN 13201-(1&)2: (2004)

In de onderstaande tabel wordt de indeling van de wegen volgens NBN XXXXX en de prestatie-eisen volgens EN 13201-2 op een vereenvoudigde wijze weergeven. Een vereenvoudigde beschrijving staat in de eerste twee kolommen van de tabel

Voor de bijhorende prestatie-eisen volgens 'EN 13201-2' wordt het luminantieconcept en/of het verlichtingssterkteconcept gebruikt. Het luminantieconcept(gele kolommen) wordt gebruikt omdat de bestuurders van snelle voertuigen het wegtraject goed zouden kunnen waarnemen. Het verlichtingssterkteconcept(oranje kolommen) wordt gebruikt om een goede waarneming van personen of voorwerpen op de weg te garanderen en wordt vooral bij traag of gemengd verkeer gebruikt.

Naargelang de verkeersdrukte liggen de eisen hoger of lager en kunnen diminstallaties dus nuttig gebruikt worden. Er wordt steeds een gemiddelde waarde voor de luminantie(Cd/m2) of de verlichtingsterkte(lx) opgegeven met een aantal extra parameters die de gelijkmatigheid moeten garanderen.

In de deze tabel (pdf) wordt de parameter TI('Treshold Increment' of 'Verhoging van de luminantie-waarnemingsdrempel') gebruikt om de verblinding van het wegverkeer te beperken(zie ook TI definitie bij CIE 150). Deze parameter wordt bepaald door het verlichtingstoestel, de configuratie en het wegdek. De tabel is een sterk vereenvoudigde versie van de norm, zo werd ondermeer het aantal klassen gereduceerd.

In de norm EN 13201-2 zijn nog twee bijkomende klassen gedefinieerd om verblinding te beperken:

  1. De klassen G1 tot G6(strengste eisen) voor gevallen waar de parameter TI niet berekend kan worden. Deze klassen zijn bijvoorbeeld ook nuttig in gebieden met een hoog risico voor traag verkeer of voetgangers. De verblinding door rechtstreekse lichtuitstraling van verlichtingstoestellen boven een hoek van 70 ° wordt beperkt. De G klassen zijn enkel afhankelijk van het verlichtingstoestel.
  2. De klasse D1 tot D6(strengste eisen) beperken de verblinding door fel verlichte oppervlaktes op verlichtingstoestellen en zijn dus vooral nuttig bij decoratieve verlichtingstoestellen.

Voor meer informatie over de definitie van de gebruikte grootheden wordt naar de overeenkomstige richtlijn of norm verwezen.

NBN L 18-001:(1980) Leidraad voor verlichting van openbare wegen (Teruggetrokken Norm)

Deze oude Belgische norm beschrijft zowel een methode om wegen te categoriseren als de prestatie-eisen die aan de bijhorende verlichting gesteld worden. Hij combineert dus de inhoud van deel 1 en 2 van de EN 13201 maar beschrijft vooral de belangrijkste wegen zoals snelwegen, expresswegen, intercommunale wegen in open veld, toegangswegen tot of ringwegen om bebouwde kommen, hoofd- en secundaire straten, kruispunten enz.
Hij geeft bovendien nog een aantal praktische wenken voor de geometrie van de op te stellen lichtpunten en een aantal vuistregels voor het voorontwerp van een installatie.

Aangezien deze norm deels in tegenspraak is met de goedgekeurde Europese normen moet deze norm teruggetrokken worden. Binnen de schoot van het BIV is echter een werkgroep bezig om het educatief gedeelte van deze leidraad aan te passen en terug als leidraad of praktijkrichtlijn, niet als norm, uit te geven.

NBN L 18-002:(1988) Aanbevelingen voor bijzondere gevallen van openbare verlichting (Teruggetrokken Norm)

Deze oude Belgische norm aanbevelingen voor de openbare verlichting van specifieke stedelijke en landelijke zones en is een aanvulling op de norm NBN L 18-001.
Dient eveneens teruggetrokken te worden omwille van tegenspraak met de goedgekeurde Europese normen maar is grotendels opgeomen in de nieuwe Belgische norm NBN XXXX. Bepaalde onderwerpen zullen echter ook opgenomen worden in de nieuwe leidraad.

NBN L 18-003:(2001) Regels van goed vakmanschap voor verlichting van wegtunnels en ondergrondse doorgangen (Norm)

Mobiliteitsconvenanten (Reglement, Aanbeveling)

In Vlaanderen worden ook verlichtingseisen vastgelegd via 'Mobiliteitsconvenanten'. Voor info zie:http://mobiliteit.vlaanderen.be/convenants/index.html Meer bepaald in de modules 4 en 17 die betrekking hebben op lichthinder en in het achtergronddocument (nog niet volledig digitaal beschikbaar). Het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap hanteert hierin een categorisering van gewestwegen met de hierbij horende prestatie-eisen voor de openbare verlichting. Ook deze gegevens zullen in overweging moeten genomen worden door de werkgroep binnen het BIV.

 

BEREKENINGSMETHODE, VEREISTEN, AANBEVELINGEN VOOR HET ONTWERPEN VAN OPENBARE VERLICHTINGSINTALLATIES EN HET VERMIJDEN VAN LICHTHINDER

Hierin: op uniforme wijze verlichtingsinstallaties ontwerpen met een minimum aan lichthinder.

NBN EN 13201-3:(2004) Wegverlichting - Deel 3: Prestatieberekening (Norm)

Hierin worden op uniforme wijze de berekeningsparameters en de berekeningsmethode bepaald waarmee een verlichtingsinstallatie in ontwerpfase moet berekend worden.

CIE 126-1997 'Guidelines for minimizing sky glow' (Technische nota)

Dit rapport bevat richtlijnen voor ontwerpers en overheden ter beperking van de hemelgloed. In het kort worden de theoretische aspecten van hemelgloed toegelicht en worden er richtcijfers gegeven en technieken beschreven voor verlichtingsinstallaties in relatie tot de eisen voor astronomische waarnemingen. De praktische implementatie van deze richtlijnen wordt overgelaten aan nationale reglementeringen. In deze richtlijn word en omgevingszones gedefinieerd (tabel 2.1) en de opwaartse lichtstroom van verlichtingstoestellen wordt beperkt.

CIE 150:2003 'Guide on the limitation of the effects of obstrusive light from outdoor lighting installations' (Technische nota)

Het doel van deze gids is richtlijnen te geven voor buitenverlichtingsinstallaties en de invloed van lichthinder door verblinding. Hiervoor worden relevante parameters en limietwaarden gedefinieerd. De richtlijn is in de eerste plaats bedoeld voor nieuwe installaties maar er werden ook in beperkte mate advies opgenomen voor bestaande installaties. De gids refereert in hoofdzaak naar de mogelijke negatieve invloed van buitenverlichting op de mens in bijna alle aspecten van het dagelijks leven(voor astronomen zie CIE 126-1997.

Hierna volgt een eigen vertaling van deze technische nota. Vooral de indeling in zones volgens tabel 2.1 is nog voor interpretatie vatbaar. In Vlaanderen is het moeilijk door de dichte bebouwing om een grens tussen E2 en E3 te definiëren.

Table 2.1 Indeling in omgevingszones voor buitenverlichting

Omgevingszone Gebied Verlichtingsomgeving Voorbeelden
E1 Natuur Uit zichzelf donker Natuurgebieden
E2 Landelijk Lage kunstmatige omgevingshelderheid Industriële, residentiele en landelijke gebieden
E3 Steden Middelmatige kunstmatige omgevingshelderheid Stedelijke woongebieden met mogelijk industrie
E4 Stadscentra Hoge kunstmatige omgevingshelderheid Stadscentrum met een gemengde residentiële en commerciële functie

Beperken van hemelgloed door opwaartse lichtstroom(ULR) volgens CIE126:

UFF (=ULR=ULORinst) (upward light flux fraction):
Verhouding van de Lichtstroom uitgestraald door het verlichtingstoestel in de bovenste hemisfeer ten opzichte van het horizontaal vlak dat het fotometrisch centrum van het verlichtingstoestel bevat, tot de totale Lichtstroom uitgestraald door het verlichtingstoestel. Het verlichtingstoestel bevindt zich hierbij in zijn normale gebruiksstand.

Omgevingszone ULR(%)
E1 0
E2 0 - 5
E3 0 - 15
E4 0 - 25

Limieten voor verlichtingsterkte op omliggende eigendommen volgens CIE150(strooilicht):

Tabel 2.2 Maximale waarden voor verticale verlichtingsterkte op eigendommen

Deze limieten zijn van toepassing op verblijfplaatsen, of mogelijke verblijfplaatsen, meer specifiek op de relevante oppervlaktes, vooral waar ramen aanwezig zijn. De waarde is de som van alle verlichtingsinstallaties.

Lichttechnische parameter Toepassingsvoorwaarden Omgevingszone
E1 E2 E3 E4
Verlichtingsterkte in het vertikaal vlak (Ey) Voor de avondklok(0-5h): 2 lux 5 lux 10 lux 25 lux
Na de avondklok(0-5h): 0* lux 1 lux 2 lux 5 lux

*NOTA: Indien het verlichtingstoestel dient voor openbare verlichting mag deze waarde tot 1 lux bedragen.

Limieten voor zeer heldere verlichtingstoestellen opgesteld in het gezichtsveld van bewoners volgens CIE150:

Tabel 2.3 Deze limieten zijn van toepassing voor alle verlichtingstoestellen in richtingen waarbij het zicht van heldere oppervlaktes van verlichtingstoestellen hinderlijk zou kunnen zijn voor bewoners. De limieten zijn enkel voor de gezichtposities die (waarschijnlijk) langdurig aangenomen worden, dus niet voor tijdelijke gezichtsposities of gezichtsposities van korte duur.

Lichttechnische parameter Toepassingsvoorwaarden Omgevingszone
E1 E2 E3 E4
Lichtsterkte van verlichtingstoestellen (I) Voor de avondklok(0-5h): 2 500 cd 7 500 cd 10 000 cd 25 000 cd
Na de avondklok(0-5h): 0 cd* 500 cd 1 000 cd 2 500 cd

*NOTA: Indien het verlichtingstoestel dient voor openbare verlichting mag deze waarde tot 500 cd bedragen.

Beperkingen voor het verblinden van bestuurders van voertuigen volgens CIE150:

Tabel 2.4 Maximale waardes voor de verhoging van de luminantie-waarnemingsdrempel(TI) van bestuurders door verlichtingsinstallaties niet bedoeld voor straatverlichting

Lichttechnische Parameter Wegindeling 1)
Geen weg M5 M4/M3 M2/M1
% Verhoging van de luminantie-waarnemingsdrempel 2) TI
TI = Σ(650xVerlichtingsterkteoog(lux))/(Ltabel(cd/m2)
X hoekweg-verlichtingstoestel(°)) 2) TI
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
0,1 cd/m2(Ltabel)
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
1 cd/m2(Ltabel)
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
2 cd/m2(Ltabel)
15% gebaseerd op een aangenomen luminantie van
5 cd/m2(Ltabel)

1) Indeling van de wegen volgens CIE 115-1995.
2) De limieten zijn van toepassing waar bestuurders van voertuigen gevolgen zouden ondervinden van een verminderde waarneming van essentiële informatie.
De gegeven waardes zijn enkel voor relevante gezichtsposities volgens het voertuigtraject.

Beperken van de nadelige effecten van oververlichte gevels, signalisatie en reclameborden volgens CIE150:

Tabel 2.6 Maximum toegelaten waarde voor gemiddelde luminantie

Lichttechnische parameter Toepassingsvoorwaarden Omgevingszone
E1 E2 E3 E4
Luminantie van gevels (Lb) Genomen als het product van de gemiddelde ontwerpverlichtingsterkte en de reflectiecoëfficiënt gedeeld door Φ 0 cd/m2 5 cd/m2 10 cd/m2 25 cd/m2
Luminantie van signalisatie en reclameborden (Ls) Genomen als het product van de gemiddelde ontwerpverlichtingsterkte en de reflectiecoëfficiënt gedeeld door Φ, of voor signalisatie met ingebouwde verlichting de gemiddelde luminantie. 50 cd/m2 400 cd/m2 800 cd/m2 1000 cd/m2

Deze waardes zijn geldig voor en na de avondklok behalve dat in zone E1 alle waardes 0 zijn na de avondklok.
De waardes zijn niet van toepassing op wegsignalisatie (zie hiervoor CIE 74-1998)
In zones E1 en E2 wordt het gebruik van modulerende of flitsende verlichting afgeraden. In ieder geval mag deze niet opgesteld worden in de buurt van ramen van bewoonde gebouwen.

 

MEETMETHODE VOOR OPENBARE VERLICHTING:

Hierin: op uniforme wijze nameten van verlichtingsinstallaties.

NBN EN 13201-4:(2004) Wegverlichting - Deel 4: Methoden voor het meten van de verlichtingsprestaties. (Norm)

 

ENERGIEVERBRUIK VAN OPENBARE VERLICHTING

Voorstel voor norm EN 13201-5: (2007) Vereisten voor de energie-efficiëntie van straatverlichting In september 2007 heeft de Europese verlichtingsindustrie, vertegenwoordigd door CELMA, een voorstel gelanceerd voor een nieuwe norm voor straatverlichting om het energieverbruik te beperken. In deze norm wordt het begrip SLEEC geïntroduceerd: Street Lighting Energy Efficiency Criterion. Het omgekeerde van dit begrip dwz. ,afhankelijk van het wegtype, de efficiëntie van de luminantie eL of de efficiëntie van de verlichtingssterkte eEh werd in België reeds gelanceerd in 1995 door de BFE (nu Synergrid) in het typebestek 005 (zie verder).

 

VEREISTEN EN AANBEVELINGEN VOOR VERLICHTINGSAPPARATUUR:

Verlichtingstoestellen.

Alle verlichtingstoestellen moeten voldoen aan de vereiste voor het dragen van een CE label. Deze vereisten hebben vooral betrekking op het veilig en correct gebruik van deze toestellen met als doel elektrisch veilige, storingsvrije en brandveilige elektrische apparaten te leveren. Meer info: http://eur-lex.europa.eu/nl/index.htm

In het bijzonder:

Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake elektromagnetische compatibiliteit.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31989L0336:NL:HTML

Deze heeft ondermeer tot doel om elektrische storingen van toestellen te beperken.

Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der Lid-Staten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31973L0023:nl:NOT

Deze heeft tot doel om de elektrische veiligheid van elektrische toestellen te bevorderen (beter gekend onder de benaming ‘Laagspanningsrichtlijn).

RICHTLIJN 2002/96/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA).
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:037:0024:0038:nl:PDF

RICHTLIJN 2003/108/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 8 december 2003 tot wijziging van Richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA).
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:345:0106:0107:NL:PDF

De richtlijn 2002/96/EG en de gewijzigde richtlijn 2003/108/EG zijn gericht op het beperken van elektrisch en elektrotechnisch afval. Producenten, die hun producten na 13 augustus 2005 op de markt brengen, moeten garanderen dat hun collectie, behandeling en hergebruik voldoen aan de lijst Annex IA toepassingen.
In België wordt deze verplichting voor verlichtingsmateriaal (inclusief ontladingslampen) opgenomen door de firma Recupel. http//www.recupel.be

RICHTLIJN 2002/95/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 27 januari 2003 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:037:0019:0023:NL:PDF

De richtlijn verbiedt het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektronische en elektrotechnische toestellen die op de markt worden gebracht vanaf 1 juli 2006 (er zijn veel uitzonderingen). De verboden stoffen zijn ondermeer: lood, kwik, cadmium. Elektronische printplaten dienen loodvrije soldeer te gebruiken maar fluorescentielampen(bevatten kwik) vallen onder de toegelaten uitzonderingen omdat ze gerecycleerd worden.

Richtlijn 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 inzake de energierendementseisen voor voorschakelapparaten voor fluorescentielampen.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2000:279:0033:0038:NL:PDF

Deze richtlijn legt rendementseisen voor fluorescentielampballasten vast die gradueel toenemen in de tijd. De toestellen worden voorzien van labels(vergelijkbaar met huishoudtoestellen). Op losse ballasten met een EEI index en op spaarlampen met de gekende kleurcode zoals op huishoudtoestellen (A1(groen)(best), A2, A3, B1, B2, C en D(rood)(slecht)).


Lampen

RICHTLIJN 2005/32/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 6 juli 2005 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG van de Raad en de Richtlijnen 96/57/EG en 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Zie:  http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2005:191:0029:0058:nl:PDF

Deze richtlijn is ook van toepassing op verlichtingstoestellen en slaat op het toepassen van ecologische ontwerpprincipes zoals een levenscyclusanalyse.
Als gevolg van deze richtlijn zijn er ondertussen twee verordeningen uitgevaardigd door de Europese Commissie met minimale eisen:

VERORDENING (EG) Nr. 245/2009 VAN DE COMMISSIE van 18 maart 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende eisen inzake ecologisch ontwerp voor fluorescentielampen zonder ingebouwd voorschakelapparaat, voor hogedrukgasontladingslampen en voor voorschakelapparaten en armaturen die deze lampen kunnen laten branden, en tot intrekking van Richtlijn 2000/55/EG van het Europees Parlement en de Raad
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2009:076:0017:0044:NL:PDF

VERORDENING (EG) Nr. 244/2009 VAN DE COMMISSIE van 18 maart 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 2005/32/EG van het Europees Parlement en de Raad voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor niet-gerichte lampen voor huishoudelijk gebruik.
Zie: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2009:076:0003:0016:NL:PDF

Er zijn ook normen en standaarden voor verlichtingscomponenten opgesteld door IEC- CEI.   Deze normen garanderen de elektrische veiligheid en de compatibiliteit van verlichtingsonderdelen van verschillende fabrikanten. Meer info: http://www.iec.ch

IEC : INTERNATIONAL ELECTROTECHNICAL COMMISSION
CENELEC (CEN): Comité Européen de Normalisation Electrotechnique (http://www.cenelec.org)
CIE: COMMISSION INTERNATIONAL de l’ECLAIRAGE (INTERNATIONAL COMMISSION on ILLUMINATION)

 

ALGEMEEN TYPEBESTEK 005

Synergrid, de federatie van de netbeheerders elektriciteit en aardgas in België heeft een typebestek opgemaakt waaraan goede verlichtingstoestellen moeten beantwoorden: Algemeen typebestek 005: Uitrustingen voor openbare verlichting Deel II-2 Voorschriften in verband met het leveren van verlichtingstoestellen.
Doel: Een zo goed mogelijke verlichtingsinstallatie bouwen met een zo hoog mogelijke energie-efficiëntie tegen een zo laag mogelijke kost.
Meer info: http://www.synergrid.be

Lijst van goedgekeurde toestellen volgens typebestek 005:
http://www.synergrid.be/index.cfm?PageID=16832&language_code=NED

Om hemelgloed en lichtvervuiling te beperken: kies een toestel met een lage UFF!

UFF (=ULORdesigned) (upward light flux fraction)UFF : Verhouding van de lichtstroom uitgestraald door het verlichtingstoestel in de bovenste hemisfeer ten opzichte van het horizontaal vlak dat het fotometrisch centrum van het verlichtingstoestel bevat, tot de totale lichtstroom uitgestraald door het verlichtingstoestel. Het verlichtingstoestel bevindt zich hierbij in zijn normale gebruiksstand.

Limietwaardes in functie van de toegelaten lichtvervuiling staan in aanbeveling CIE 126-1997 'Guidelines for minimizing sky glow':

Er zijn ook limietwaardes opgenomen in het typebestek 005. bv voor hoge druk natriumlampen:

voor wegen met voornamelijk autoverkeer: UFF < 10%

voor straten in woonomgevingen enz.:
UFF < 15% voor vermogens > 150W
UFF < 25% voor vermogens < 150W

Opmerkingen bij limietwaarde UFF:

  • De meeste armaturen die in het typebestek zijn opgenomen liggen ruim onder de maximum waarde vastgelegd in het typebestek.
  • Het is belangrijk dat de installateur de verlichtingstoestellen in de praktijk in de voorgeschreven hoekstand plaatst.
  • Het gebruik van verlichtingstoestellen met zeer lage waardes van UFF (0 tot 2.5 %) of zogenaamde 'full cut off' kunnen ook nadelige neveneffecten hebben: - er dient aandacht besteed te worden aan een mogelijke negatieve invloed op het energetisch rendement van de installatie. - indien er hiervoor kortere paalafstanden noodzakelijk zijn dient men na te gaan of er door weerkaatsing op het wegdek en omgeving globaal niet meer hemelgloed ontstaat(zie toelichting hierna).
  • Licht dat onder een eerder horizontale hoek in de ruimte gestraald wordt zal meer lichtvervuiling veroorzaken dan licht dat onder een eerder verticalehoek de ruimte instraalt. Dit komt omdat de licht dat onder een eerder horizontale hoek de ruimte instraalt, een langere baan in de atmosfeer aflegt. Een werkelijke balansis met de huidige rekenprogramma's en gezien de invloed van de omgeving zeer moeilijk te bepalen.
  • De UFF waarden zullen later nog ter studie genomen worden.

Om verblinding van personen te vermijden dient men de lichtsterkte uitgestraald in hinderlijke boven een bepaalde hoek te beperken!

Uit het typebestek 005(actueel geldig):

I 0,80: lichtsterkte op 80° in het vlak C=0: Lichtsterkte (in cd/1000 lm) van het uitgestraalde licht in een richting van 80° ten opzichte van de verticale in de gebruikelijke waarnemingsrichting, waarvan de hoeken worden beschouwd als zijnde gelegen in het verticale vlak dat door het verlichtingstoestel gaat en evenwijdig loopt met de as van de weg. Het verlichtingstoestel bevindt zich in zijn normale gebruiksstand.

I 0,80 max dient de waarde van het typebestek in geen geval te overschrijden.

 

AANVULLENDE INFORMATIE

Algemeen:

Gebruik van verlichtingstoestellen die indien nodig van anti-verblindingroosters voorzien zijn.

Volgens de Europese normen:

Ditzelfde aspect wordt ook behandeld door de klassen G1 tot G6 in de nieuwe europese norm EN 13201-1&2.

Om verblinding van bestuurders van voertuigen te vermijden dient men de parameter 'Treshold Increment (TI)' te beperken(zie CIE150(2003)&EN 13201-1&2)

Om energieverspilling te vermijden: kies een energie-efficiënt verlichtingstoestel en lamp!

Hiervoor worden in het typebestek 005 volgende parameters gedefinieerd

eL: efficiëntiefactor van de luminantie: verhouding van de berekende, gemiddelde luminantie van het onderzochte wegvak en het totale vermogen Wtot(de waarden van Wtot zijn opgenomen in de tabellen voor de categorieën A en B) verbruikt door een verlichtingstoestel, vermenigvuldigd met de oppervlakte S van het stuk weg waarop deze luminantie gerealiseerd wordt
eL = (Lm/Wtot) x S
De efficiëntiefactor van de luminantie bepaalt het globaal rendement aan de grond van het verlichtingstoestel bij een gegeven montage en geeft de luminantiehoeveelheid die gemiddeld wordt geproduceerd door 1 Wattsysteem op een oppervlak van een vierkante meter. Dit rendement is gelijk aan het product van 3 basiscoëfficienten :
eL = (Lm/Wtot x S) = L/E x Φ / Wtot x K
waarin K staat voor de gebruikscoëfficient van het verlichtingstoestel,
L/E voor het rendement van de installatie in cd/m2 per lux aan de grond,
Φ / Wtot het lichtrendement van de lamp in lumen per Watt totaal.
eEh: efficiëntiefactor van de verlichtingssterkte: verhouding van de berekende gemiddelde verlichtingssterkte van het onderzochte wegstuk tot het totale vermogen Wtot (de waarden van Wtot zijn opgenomen in de tabellen voor de categorieën C) verbruikt door een verlichtingstoestel, vermenigvuldigd met de oppervlakte S van het wegstuk waarop deze verlichting gerealiseerd wordt
eEh = (Ehm/Wtot) x S = K x Φ / Wtot
de opmerkingen i.v.m. het luminantierendement gelden eveneens voor het verlichtingsrendement dat gelijk is aan het product van de gebruikscoëfficient K en het lichtrendement van de lamp in lumen per Watt totaal.

Voor de keuze van een toestel geldt vanuit energetisch standpunt: kies een toestel met een zo hoog mogelijke waarde van de efficiëntiefactor van de luminantie of verlichtingssterkte.

Energielabel voor openbare verlichting

In Nederland heeft SenterNovem een label laten ontwikkelen waarmee gemeenten de energieprestatie van bestaande of toekomstige openbare verlichtingsinstallaties (OVL) kunnen kwalificeren. Dit label is gebaseerd op de SLEEC-waarde die gedefiniëerd is in het ontwerp voor een mogelijke norm EN 13201-5: Wegverlichting: Vereisten voor de energie-efficiëntie. Deze SLEEC-waarde is eigenlijk het omgekeerde van de eL of de eEh die in het typebestek 005 van Synergrid wordt gedefiniëerd.

Het ontwikkelde OVL-label is een maat voor de energieprestatie van een installatie. Hiervoor is een indicator gebruikt, die onderlinge vergelijking van systemen mogelijk maakt: het ‘Street Lighting Energy Efficiency Criterion’ (SLEEC), beschreven in de EN13201-5. De nu gekozen methode houdt rekening met de efficiëntie van lampen, voorschakelapparatuur, het type armaturen en het lichtontwerp. Ook het (gunstige) effect van dim-installaties wordt meegewogen.

Het label kent 7 efficiëntieklassen, net als het Europese label voor witgoed, auto’s en huishoudelijke lampen

De score wordt vastgesteld op basis van de volgende gegevens:

  • de te verlichten wegdekken
  • bepaling van de wegfunctie (woon/verblijf of verkeer)
  • het lichtontwerp van de installatie (lampen, armaturen en de hoogte en afstanden lichtmasten)
  • de uit de NPR vastgestelde lichtklasse
  • het systeemvermogen van het toegepaste lamptype, VSA (voorschakelapparatuur) en indien bekend het dimregime

De score wordt berekend met de volgende formules:
Voor woonstraten
SEnorm = P [W] / Eh,min [lux] / A [m2]
(P = vermogen in Watt; Eh = minimale horizontale verlichtingssterkte binnen de lichtklasse van een straat in lux; A = de oppervlakte van erfgrens tot erfgrens tussen twee lichtmasten conform het rekenvlak zoals beschreven in de Aanbevelingen van de NSvV voor OVL deel 2)
Voor verkeerswegen
SLnorm = P [W] / Lmin [Cd/m2] / A [m2]
(Lmin = de minimale luminantie per m2 van de installatie binnen de lichtklasse van de betreffende straat; A = de oppervlakte van de rijbaan tussen twee lichtmasten, eveneens conform het vereiste rekenvlak)

Resultaat is een eenduidig, onderling vergelijkbaar getal voor de energieprestatie van alle wegtypes.

Praktisch nut
Met behulp van het label kunnen gemeenten en ontwerpers de energieprestatie van hun huidige of toekomstige installaties onderbrengen in een bepaalde zuinigheidsklasse (A-G). Het ontwikkelde label, dat in een adviesrapport is beschreven, is behulpzaam bij het vaststellen van beleidsambities en duurzaam inkopen, maar kan in de toekomst ook worden gebruikt voor benchmarking.
Handleiding
In mei van dit jaar adviseerde de Taskforce Verlichting minister Cramer (VROM) om de introductie van het energielabel en benchmarking te stimuleren. Het Ministerie van VROM ziet hier een rol weggelegd voor de NSVV, die ook een handleiding wil opstellen.

http://www.senternovem.nl/openbareverlichting/publicaties/handleiding_energielabeling_openbare_verlichting.asp

Share/Save