Lichthinder algemeen Begrippen

Inleiding  | Begrippen  | Energieverbruik  | Vlaanderen  | Klachten  | Activiteiten  | Linken & literatuur  | Wie is wie 

Begrippen en definities

 

Lichthinder

Lichthinder is de overlast veroorzaakt door kunstlicht bij mens en dier. Lichthinder treedt bij de mens voornamelijk op als regelrechte verblinding, als verstorende factor bij het verrichten van avondlijke of nachtelijke activiteiten of als bron van onbehagen. Ook dieren ondervinden lichthinder door versnippering en beïnvloeding van hun leefgebied en verstoring van hun bioritme. Vooral bij vogels, insecten en amfibieën is waargenomen dat buitenverlichting het gedrag beïnvloedt door desoriëntatie, afstoting en aantrekking. Er zijn geen aanwijzingen voor grootschalige nadelige gevolgen van buitenverlichting voor planten.

Lichthinder

Verblinding schematische weergegeven (Bron: AMINAL)

Lichtvervuiling

Lichtvervuiling is een term die veelal gebruikt wordt om het overmatig en verspillend gebruik van buitenverlichting met kunstlicht aan te duiden; het meest waargenomen gevolg hiervan is een verhoging van de hemelgloed of hemelluminantie.

 

Hemelgloed

Hemelgloed of lichtsluier is het gevolg van weerkaatsing van zichtbare en niet-zichtbare straling op gasmoleculen, waterdamp en stofdeeltjes in de lucht. Er bestaan twee soorten hemelgloed. Enerzijds is er de natuurlijke sluier die veroorzaakt wordt door natuurlijke lichtbronnen en de luminantie van de atmosfeer, anderzijds is er de kunstmatige hemelgloed, veroorzaakt door de directe en weerkaatste straling van verlichtingstoestellen, lampen en verlichte oppervlakten. De intensiteit van de lichtsluier wordt beïnvloed door de atmosferische omstandigheden en het vervuilingniveau van de atmosfeer. Het is dus niet verwonderlijk dat de grootste lichtsluiers worden waargenomen boven grote stedelijke kernen. Maar ook sportvelden, bedrijfsterreinen, serres en andere sterk verlichte objecten kunnen van ver zichtbaar zijn door de lichtkoepel die ze veroorzaken. Dit wordt vooral door (amateur) astronomen als zeer hinderlijk beschouwd omdat de hemel te helder wordt en sterren niet meer kunnen waargenomen worden.

Kunstmatige hemelgloed wordt veroorzaakt door:

  1. de lichtstroom die rechtstreeks door het verlichtingstoestel wordt uitgestraald en in de hemel verloren gaat;
  2. de lichtstroom, weerkaatst door de te verlichten oppervlakten;
  3. de lichtstroom, weerkaatst door de omringende oppervlakten die door verlies van niet-functioneel licht toch belicht worden.

Hemelgloed

Buitenverlichting veroorzaakt hemelgloed (foto ©Vito)

 

Verblinding (glare)

Verblinding kan optreden als bij een bepaalde installatie de lichtbron rechtstreeks zichtbaar is en veel feller is dan de verlichte omgeving. Hierdoor kan het moeilijk worden om te zien en kan het doel van de verlichting tenietgedaan worden. Verblinding wordt veroorzaakt door slecht afgestelde verlichting bij wegverlichting, reclameverlichting, klemtoonverlichting of terreinverlichting.

verblinding

Verblinding: Aan de loskade is een goede verlichting maar aan de andere zijde veroorzaakt ze verblinding
(foto © Vito)

 

Verblinding('glare(E)', 'Blendung'(D), 'éblouissement(F)') is een ruim begrip dat in de technische literatuur verder opgedeeld wordt in drie types(zie ook 'Light Pollution Handbook') met verschillende evaluatiesystemen:
1. 'Blinding glare' of 'Absolute glare' is vrij te vertalen als volledige verblinding, waarbij de lichtsterkte zo hoog is dat een normale waarneming niet mogelijk is. Dit treedt vooral op bij daglichtsituaties(bvb. wanneer men uit een tunnel rijdt).
2. 'Disability glare' of 'physiological glare' is vrij te vertalen als storende verblinding of fysiologische verblinding, waarbij een lichtbron door zijn storend licht de waarneming vermindert(bvb. te weinig contrast voor een goede waarneming door achtergrondlicht van een storende lichtbron).
3. 'Discomfort glare' is vrij te vertalen als psychologische verblinding, waarbij er geen verminderde waarneming is maar wel een oncomfortabele psychologische beïnvloeding door het licht.

 

Strooilicht (spill light or stray light)

Strooilicht kan omschreven worden als pandoverschrijdende verlichting, met andere woorden licht dat ergens terechtkomt waar het niet nodig of niet gewenst is. Het is licht dat relatief dicht bij de lichtbron wordt waargenomen. Voorbeelden van strooilicht zijnovermatige reclameverlichting en onjuist opgestelde straat- of tuinverlichting die in de slaapkamer binnenschijnt, serres die heel de omgeving verlichten...

 

Ballast en voorschakelapparatuur (VSA)

Ontladingslampen kunnen niet zomaar op het normale elektriciteitsnet (230V wisselspanning) aangesloten worden, zoals gewone gloeilampen. Dit is onder andere het geval voor fluorescentielampen, hogedruknatriumlampen enz... Om deze lampen te laten werken is het nodig dat men gebruik maakt van voorschakelapparatuur (VSA). Deze voorschakelapparatuur omvat steeds een ballast voor de stroomstabilisatie en, voor sommige lampen, ook een starter. Aangezien de ballast in een klassiek systeem een spoel is, wordt het geheel aangevuld met een condensator voor verbetering van de arbeidsfactor.

 

Elektronische ballast of elektronisch voorschakelapparaat (EVSA)

Beide termen worden gebruikt om een elektronisch toestel aan te duiden dat alle functies van de voorschakelapparatuur in één toestel combineert. Geavanceerde elektronische ballasten beschikken over een dimfunctie en kunnen worden gestuurd via een beheersysteem.

 

Beheersysteem (telemanagement systeem)

Een automatisch systeem dat ervoor zorgt dat de lampen kunnen worden aangestuurd in functie van de noden.

 

Mediane levensduur

Het aantal branduren van een reeks lampen waarbij de helft van deze lampen defect zijn of een lichtflux uitsturen van minder dan 70% van de voorziene lichtflux.

 

Ontstekingstijd van een (ontladings)lamp

De tijd tussen het inschakelen van de lamp en het ogenblik waarop de lamp haar volle lichtstroom heeft bereikt.

 

Lichtstroom in lumen (luminous flux)

De lichtstroom is de totale hoeveelheid licht die een lichtbron per seconde in alle golflengten van het zichtbare licht uitzendt.

Eenheid: lumen [lm]
Voorbeelden: gloeilamp van 100 W geeft circa 1300 lm
  een kaars geeft circa 10 lm

Lichtstroom

 

Lichtsterkte in candela (luminous intensity)

De lichtstroom is de totale hoeveelheid licht die een lichtbron per seconde in alle golflengten van het zichtbare licht uitzendt De lichtsterkte van een lichtbron is de lichtstroom die per eenheid van ruimtehoek in een bepaalde richting wordt uitgezonden.

Eenheid: candela = lumen per sterradiaal* [cd]
Voorbeelden: autokoplamp circa 15.000 cd
  gloeilamp van 100 W circa 80 cd in elke richting

  * 1 sterradiaal = opp. van 1m² op een bol met straal 1m

lichtsterkte

 

Verlichtingssterkte in lux (illuminance)

De verlichtingssterkte van een bepaalde oppervlakte komt overeen met het aantal lumen dat erop invalt per m2.

Eenheid: lux = lumen per m2 [lx]
Voorbeelden: ’s zomers buiten in de middagzon circa 100.000 lx
  kantoorwerk: minstens circa 500 lx is een vereiste
  verlichte wegbedekking ‘s nachts circa 1 tot 40 lx

Verlichtingsterkte

 

Luminantie in candela per m2 (luminance)

Het is een maat voor de helderheid bij eenzelfde verlichtingssterkte hebben donkere oppervlakken een kleinere luminantie dan heldere oppervlakken. De luminantie van een lichtbron of van een bestraalde oppervlakte is de lichtsterkte per m2 schijnbaar oppervlak. Het schijnbare oppervlak is de projectie van de bron op een vlak dat loodrecht staat op de kijkrichting. Hoe groter de luminantie, hoe meer licht er op ons netvlies valt en hoe beter we zien, tenzij de bron ons verblindt.

Eenheid: candela per m2 [cd/m2 ]
Voorbeelden:      oppervlak van de zon circa 1 miljard cd/ m2
gloeidraad van een lamp circa 70.000 cd/m2
fluorescentielamp circa 8000 cd/m2

kaars circa 5000 cd/m2

wit papier verlicht met 500 lx circa 125 cd/m2
verlichte wegbedekking ’s nachts circa 0.6 tot 2 cd/m2

luminantie

 

Kleurtemperatuur

De kleurtemperatuur geeft een idee van de kleur van een lichtbron. Het begrip komt van het verschijnsel dat veel materialen gaan gloeien bij toenemende temperaturen. De kleurtemperatuur is gebaseerd op de kleur die de ideale zwarte straler aanneemt bij opwarming. Een lichtbron met lage kleurtemperatuur geeft een warme lichtkleur (roder) en een lichtbron met hoge kleurtemperatuur geeft een koudere lichtkleur (blauwer). Commerciële, niet geharmoniseerde benamingen voor lichtkleuren zijn:

extra warmwit ˜ 2700 K
warmwit ˜ 3000 K
neutraal wit ˜ 4000 K
koelwit ˜ 5000 K
Eenheid: Kelvin [K]
Voorbeelden: zonnige zomerdag ˜ 5200 K
  zwaarbewolkte zomerdag ˜ 11.000 K

Kleurweergave-index (Colour Rendering Index)

Aanduiding van de wijze waarop men natuurlijke kleuren waarneemt die door een lichtbron worden beschenen. Deze index wordt gegeven op een schaal van 0 tot 100. De waarde 100 wil dan zeggen dat het licht van een bepaalde lamp net zo goed de kleuren weergeeft als dat van een referentielamp of referentielichtbron. Afhankelijk van de kleurtemperatuur is deze referentielichtbron het zonlicht (kleurtemperatuur > 5000 K), of een zwarte straler zoals een gloeilamp (kleurtemperatuur < 5000 K). De berekening van deze index staat beschreven in het technisch rapport CIE 13.3 van 1995 ‘Method of Measuring and Specifying Colour Rendering Properties of Light Sources

Afkortingen: KWI, CRI of Ra
100-90 zeer goed
90-80 goed
80-60 redelijk
60-30 slecht
Voorbeelden: zonlicht ˜ 100
  gloeilamp / halogeenlamp: 100 (aangenomen waarde)
  fluorescentielampen (naargelang het gebruikte type fosfor): >90 of >80 of >60
  metaalhalogenidelampen (ontladingslamp met wit licht): >90 of > 80 of >60 (naargelang het type)
  hogedruknatriumlampen: >
  lagedruknatriumlampen: geen
  witte LED: >90 of > 80 of >60(naargelang het type)
  gekleurde LED: geen
Share/Save